We lopen een onooglijk klein kantoortje binnen, onderdeel van het metrostation Pioneerskaya. In het smalle gangetje staat een vijftal Oezbeekse mannen. Mijn vrouw wil hier vijftig euro wisselen. Normaal doet ze dat bij een wisselkantoor in het centrum, maar het geld is helemaal op en nood breekt wetten. Ze vraagt iets aan de mannen. Mag plaatsnemen achter degene die bij het loket geholpen wordt. Ik sta bij de uitgang. Wie er achter het loket zit kan ik niet zien. Ik hoor alleen het geritsel van papieren en stemmen. De man krjgt het ene na het ander papier toegeschoven. Op alle papieren zet hij een handtekening. Vijf minuten later breekt de oorlog uit: er klinken 10 doffe klappen van een stempel op papier. Een bundeltje papieren wordt door het loket geschoven. De man vertrekt. Mijn vrouw is aan de beurt. Steeds weer nieuwe Oezbeekse mannen kijken om een hoekje. Zien dat het druk is en haken weer af.

Het geld is gewisseld. Mijn vrouw vertelt, dat deze mannen hier geld komen brengen voor hun familie. Sommige dragen flinke bundels bankbiljetten bij zich. Ze werken hier tegen hongerloontjes. Wonen met teveel mensen in een twee-kamerflat. Verzamelen geld. Sturen dat op naar vrouw en kinderen in Oezbekistan.

Intussen is het voorjaar in de stad. Begin april. Temperaturen van 13 – 15 graden. Zonneschijn. De inwoners van Sint-Petersburg kruipen uit hun schulp. Vrouwen dragen weer rokjes. Mutsen zijn uit het straatbeeld verdwenen. Somberheid en pessimisme lijken met de vrieskou verdwenen.

We rijden naar Gorkovskaya metro. Stappen vlak bij de Peter en Paul vesting uit. Lopen over de houten toegangsbrug naar de vestingmuur. Er zijn toeristen die het interessant vinden om langs de buitenkant van de vestingmuur te lopen. We zien er Chinezen en Russen. Gekleed in jassen leggen ze het parcours af. Als we de hoek omslaan naar de zuidmuur stuiten we op mensen die in bikini of ondergoed tegen de muur geleund staan. Dit is traditie. Zodra de zon warm genoeg is, zoeken ze deze plek op. Mijn vrouw vertelt dat de Russen in de Sovjet tijd hier hun lunchpauze doorbrachten, in hun ondergoed, om ieder straaltje voorjaarszon te vangen.

Ze vindt een plekje. Ik moet er aan geloven. Doe mijn jas, T-shirt en hemd uit. Het is aangenaam warm. Wil op mijn jas op de grond gaan zitten. Iedereen om me heen roept: Njet, njet, njet! Niet op de grond zitten! De kou in de stenen, trekt de warmte uit je lichaam. Dan word je alsnog ziek. Je moet tegen de muur leunen of staan. Terwijl om mijn heen oudere mannen in hun onderbroek staan te kletsen, houd ik mijn spijkerbroek aan. Er zijn grenzen. Iedereen praat met iedereen. Sommigen drinken samen koffie. Het is een gezellige boel. Mensen kleden zich aan, haken af. Mensen komen erbij. Kleden zich uit.

Na een uur is het mooi geweest. Ik voel me verkwikt door de prille voorjaarswarmte. Als we uit het licht verdwenen zijn merkt mijn vrouw op, dat ik een kleurtje heb gekregen. Zo doorgaan en de lange winter is snel vergeten.

Het klimaat drukt zijn stempel op de sfeer in de stad. Zoals het klimaat zijn stempel drukt op de sfeer in de stad, zo drukken de stempels hun stempel op de gebruiken van de stad. Er wordt hier al eeuwen gestempeld. Russen kunnen niet zonder. Lees er de boeken van de grote Russische schrijvers maar op na. En als je dan toch aan het lezen gaat, doe dat op een stoeltje tegen de zuidmuur van de Petrus en Paulusvesting. Krijg je ook nog een kleurtje. Laat je niet teveel afleiden.