Ik sta op twee lange stukken hout. Mijn schoenen erop vastgegespt. Mechanisch beweeg ik mijn linkervoet. Dan mijn rechtervoet. Ik ga vooruit. Plaats van handeling: de Finse Golf bij Sint-Petersburg. Het voorjaar ontluikt. De zon wint aan kracht. De zee waarop ik mij bevind is bevroren. Hier ijlt de winter na. Mijn vrouw heeft me zover gekregen, dat ik met haar ga langlaufen. We hebben onlangs in de uitverkoop twee goede ski’s voor mij gekocht. Die moeten worden geprobeerd.

Ik beken eerlijk: ik ben geen held als het gaat om evenwicht. Door mijn lengte heb ik snel het gevoel uit balans te raken. Dan is er geen houden meer aan. Erg gemotiveerd sta ik hier dus niet. Maar: het uitzicht is van een ijzingwekkende schoonheid. Zover het oog reikt sneeuw en ijs. Alles oogverblindend wit. Doordat de sneeuw een beetje smelt, ski ik niet over een akelig gladde ijsvloer. Mijn benen vinden houvast. Het is te vergelijken met leren fietsen. In het begin ben je alleen maar bezig met trappers en sturen. Als dat min of meer automatisch gaat, kun je om je heen kijken.

Wat verder weg, op het eigenlijke strand, wandelen mensen. Dikke winterjassen hebben ze nog aan. Mutsen op het hoofd. Er lopen honden mee. Veel van die klein gefokte beestjes. Die je eigenlijk geen hond kunt noemen, maar die hier bijzonder populair zijn. Mensen met Nordic Walking stokken, die het tempo erin houden. Mensen met kinderwagens. De weg die zij lopen is deels zand, deels ijs. Op de stukken ijs is het goed oppassen, want het gebeurt zomaar, dat je ineens in een gat zakt, dat door de dooi is ontstaan.

Ik realiseer me, dat in het ijs waarover ik nu voortbeweeg ook van dat soort gaten kunnen zitten, met daaronder het water van de zee. Mijn vrouw bezweert me, dat het ijs veilig is. Ik moet wel denken aan een viertal ijsvissers die vorige week van een afgebroken ijsschots, die richting Oostzee dreef, moesten worden gered. Hier gelukkig geen water te bekennen. Geen risico.

Naarmate ik ontspan gaat het langlaufen beter. Ongemerkt leg ik een flinke afstand af. Een tocht die eindigt bij onze muur. Een plek met het gezicht naar de zuidkant. Als je uit de wind staat vang je alleen maar zonnewarmte. Nu voelen we hoe warm het al is. Het skipak gaat half naar beneden en met ontbloot bovenlijf ondergaan we het zonlicht. We krijgen die dag een kleurtje. Mensen die langs wandelen verklaren ons voor gek. Zij lopen in de koude wind. Hebben warme kleding nodig. Wij staan uit de wind. Dat scheelt een jas.

Het spel van sneeuw, ijs, zon en wind maakt van deze plek een bijzondere plek. Mijn vrouw heeft iets met muren. Telkens weet ze me te verrassen met weer een plek uit de wind. In de zon. Weten we ons te onttrekken aan de normen van voorbijgangers, door tegen alle gewoonten in, half bloot in het leven te staan.

We langlaufen terug. Komen meer langlaufers tegen. Russen houden van sneeuw en ijs. Zijn veroordeeld tot sneeuw en ijs. Maken er dan ook hartstochtelijk gebruik van. Tegen het roekeloze aan. Kijk maar naar die ijsvissers. Maar ze worden bijna altijd gered. Want iedereen in Rusland weet, dat Russen risico nemen. Het zit in hun aard. In hun gevoel, zich te bewijzen. Dat mag gehonoreerd worden. En als het fout gaat, lossen ze het op. Ook voor anderen. Dat creëert ook weer de nodige helden. Dat is wat een volk nodig heeft en waar sommige volken om verlegen zitten: schlemielen en helden.