Het weer is warm, deze dagen. Mensen komen uit de kleren. Voor zover ze niet hoeven te werken zoeken ze verkoeling. Ik zit onder een boom in een park. Om mij heen spelen kinderen. Iets verderop is een vijver. Daar verkoelt men zich met het verfrissende water. Het stadsbestuur doet er alles aan om de stad leefbaar te maken en te houden. Zo staan er glijbaantjes en klimrekken voor kinderen. Soms fitness toestellen voor volwassenen. Om het geheel nog vrolijker te maken hebben de bankjes onlangs een kleurrijke verfbeurt gekregen. In de kleuren rood, geel en blauw.

Ik dommel wat weg op een van die bankjes. Als ik de ogen open, zie ik een vrouw in een zomerjurkje voorbijkomen. Ze draagt lage pumps. Het jurkje laat haar lange benen bloot. Op haar billen zie ik de kleurtjes rood en blauw. Kleuren die er niet horen. Ze zat net nog op het bankje naast me. De kleuren zijn doodordinaire verfvlekken. Ik ben nu alert. Wat blijkt, een aantal mensen met lichte kleding hebben kleurrijke vlekjes. Ik schrik op. Ik besef, dat ik ook op zo’n bankje te zit. Ik ben niet goed in staat naar mijn achterste te kijken, maar ik ontwaar de kleuren geel en blauw. Ik draag een lichte zomerbroek, waarvan ik denk, dat ik hem nu wel kan weggooien.

Ik sta op, het kwaad is geschied. Ik buig me over mijn zitplaats. De geur van slechte benzine dringt mijn neusgaten binnen. Het is duidelijk. Verderop zie ik op een bankje een groot stuk karton liggen. En een stuk over de leuning. Weer iets verder staat een oude man. Als er al iemand wil gaan zitten waarschuwt hij. Hij wordt eerst wantrouwend aangekeken. Er lopen hier we meer gekken rond, maar bij nadere inspectie bedanken ze hem.

Ik loop verder. De bankjes zijn al meer dan een maand geleden geschilderd. Toevallig kwam ik daar toen langs. Er waren twee mannen met grote verfpotten en grote kwasten bezig. Met stukken tape maakten ze een afscheiding tussen de kleuren. De verf heeft zo’n vier weken de tijd gehad om te drogen. Blijkbaar niet voldoende.

Als ik mijn vrouw ontmoet laat ik haar mijn billen zien. Ze wordt boos. Het was een goede broek. Nog geen half jaar oud. Die kun je weggooien. Ik opper nog om met wasbenzine (wat is dat in het Russisch?) te proberen de boel te reinigen. Dat helpt niet, verklaart ze. Je moet in Sint-Petersburg gewoon niet op bankjes gaan zitten. Wie weet heeft er een oude man gezeten die zich niet wast, of een zwerver liggen slapen. Zeker de geverfde bankjes moet je vermijden, want die blijven verf afgeven, het hele jaar door! Of je moet er iets op leggen, als je gaat zitten.

Sindsdien mijd ik bankjes. Ik ben soms doodmoe van de warme, energie slorpende stad, maar even uitrusten is er niet meer bij. Tenzij ik een cafeetje binnenstap. Maar dat betekent: bestellen. Pas weer verder kunnen als de consumptie op is.

Ik heb het probleem niet goed kunnen oplossen, maar het dringt weer helder tot mij door, nu ik zelfs op Nevski Prospekt ingehaald wordt door een paar mensen in lichte kleding, met een kleurtje op hun billen. Dit keer is het zwartwit. Blijkbaar zijn er in de buurt weer bankjes geschilderd. Zijn een aantal vermoeide voorbijgangers er weer ingetrapt. Eventjes uitrusten. Eventjes zitten. En dan vervolgens met een popart vlek op je broek of jurk verder lopen. Het is een culturele stad: Sint-Petersburg. Creativiteit wordt op allerlei manieren bevorderd. Kunst op bankjes. Je hoeft er alleen maar op te gaan zitten.