In de stad Sint-Petersburg worden arbeidsgehandicapten ingezet om het stadsbeeld te verfraaien met bloemen en grasperken. Ze dragen gele hesjes en vormen de voorhoede van wat ook wel genoemd wordt: de milieu ridders. Als ik met de tram langs rijd zie ik ze in grote getale staan. Tuingereedschap in de handen: harken, bezems, snoeischaren. Plastic zakken om het tuinafval in te deponeren. Ze strijken neer in een verwaarloosd bloemenperk. Na een paar uurtjes ligt alles er weer Pico bello bij. Als ze klaar zijn, gaat het richting het volgende bloemenperk.

Soms zijn de planten uitgebloeid en op. Dan worden de oude planten gerooid. Nieuwe bloemenplanten worden gezaaid, maar meestal gepoot. Hier draagt de Nederlandse bloemenindustrie een klein steentje bij. Ik heb nog geen tulpen gezien, die zullen het moeilijk hebben in dit wispelturige klimaat, maar wel andere Nederlandse snijbloemen. Als de perken in bloei staan blijven de bloemen onaangeroerd, terwijl de bloemen in dit land behoorlijk prijzig zijn. Ze worden in een gekoelde winkelruimte zo lang mogelijk goed gehouden. Als ze langer staan zakken ze in prijs. Echt verse bloemen zijn daarom vaak niet te krijgen, of peperduur.

Als ik een bos bloemen koop, let ik altijd extra scherp op. Met mijn Nederlandse kennis van, en ervaring met bloemen, weet ik of ze nog lang meegaan. En om nu veel geld neer te tellen voor bloemen die na drie dagen kapot zijn, gaat me te ver.  Het is dan ook verleidelijk, om je in zo’n bloemenperk te begeven, en daar een bosje te verzamelen. Kost wat moeite, maar is wel gratis. Dat doe je dus niet! Als je met zo’n bosje bij iemand aankomt, lijd je enorm gezichtsverlies. Russen zijn daar zeer kritisch op. Een veldboeket: ok. Gejatte bloemen uit een stadsbloemperk? Ondenkbaar.

Toch slaat mijn fantasie op hol. Ik zie me in het zicht van iedereen de straat over steken.  In zo’n bloemperk rondstappen. Er de mooiste exemplaren tussen uit plukken. Het bosje nog eens omhoog houden. Een bloem met een geknakte steel eruit vissen, teruggooien. Nog een paar bloemen erbij plukken. Met het bosje de straat weer oversteken. Op weg naar mijn bestemming. Ik ben bang, dat mensen mij daar op aan spreken. Dat ik mogelijk gedwongen word om die bloemen in dat perkje achter te laten. Zoiets doe je niet!

Of het alternatief: plukken in het donker. Is haast onmogelijk, want in  de grote steden brandt ’s nachts de straatverlichting. Elektriciteit is hier goedkoop. Er wordt hier niet bezuinigd op veiligheid. Maar goed: sluipend steek ik de straat over. Een enkeling die passeert vraagt zich misschien af, wat die gek daar tussen de bloemen wil, maar loopt onverschillig verder. In de verte nadert een politieauto. Haastig zak ik door mijn knieën, maak me zo klein mogelijk. Ze rijden langs en verder. Met een bosje vers geplukte bloemen sluip ik vervolgens weer de straat over. Waar naartoe? Naar huis.

Thuis zet ik de bloemen in een grote vaas. Mijn  vrouw vraagt waar ik de bloemen gekocht heb? Ik beken eerlijk, dat ik ze uit een bloemenperkje gestolen heb. Dat valt in verkeerde aarde. Mijn vrouw is woedend. Dat doe je niet in dit land! De bloemen worden in de vuilcontainer gedeponeerd. We hebben dagen ruzie…

Gelukkig is dit maar een bizarre fantasie. Dus niet en nooit in het echt gebeurd. Enig gevoel voor wat wel en niet kan, heb ik nog wel. Bloemenperken zijn er voor het stadsgezicht. Een stad met bloemen heeft een andere uitstraling, dan een stad met stenen. Daarom zeg, ik kijkend naar zo’n bloemperk, zachtjes onze paus na: bedankt voor die bloemen.