Ieder jaar weer, als de zomer voorbij is, gaat het bij de Russen kriebelen. Ze houden van vrije dagen. Van luieren in de zon op het warme zand. Zwemmen in een aangename zee. Niets om het lijf hebben. Maar zoals met alle wereldse zaken: aan alles komt een einde. Ook aan de lome zomer. Ik loop met mijn vrouw naar een bos langs het strand. We zijn niet alleen. Ik schat zo’n 25 mensen lopen met ons mee. Ze dragen mandjes, plastic zakken, rugzakken, zelfs emmers. We zijn hier allemaal met één doel: paddenstoelen zoeken. En als we ze vinden: plukken. Ik doe ieder jaar weer mee, maar ik zou zonder de controle van mijn vrouw, de grootste stommiteiten begaan. Sterker nog: ik zou niet eens op pad gaan.

Naarmate we het bos verder intrekken dunt de groep uit. Te dicht bij elkaar zoeken heeft geen zin. De een plukt weg, wat de ander denkt te vinden. Rechts van mij een oude man. Moeizaam beweegt hij zich door het goed begaanbare bos. Hij gaat veel te langzaam denk ik, als ik zie hoe snel anderen voortbewegen. Hij bukt zich. Plukt daar wel de grootste paddenstoel, van die dag: bijna 20 centimeter in doodsnee. Het is een kwestie is van goed kijken. Dat blijkt wel, want mijn vrouw die net toevallig achter mij loopt, vindt daar zes goede paddenstoelen op een kluitje. Ze zijn moeilijk te zien. Hebben uitstekende schutkleuren.

Een vrouw iets verderop is erbij gaan zitten. Ze pakt een sandwich uit haar rugzak en een flesje melk. Terwijl ze het zich laat smaken, zie ik dat ze uit haar mandje een paddenstoel pakt en die ook in haar mond steekt. Is ze levensmoe? Ik wijs mij n vrouw erop met het idee, dat we haar zo meteen moeten afslepen, maar ik wordt gerustgesteld. Er zijn paddenstoelen, die heerlijk zijn om rauw te eten. Die passen prima in een licht ontbijt. Dat blijkt, want even later staat ze op. Vervolgt haar weg.

“Staan er paddo’s in dit bos?”. “Typisch een vraag voor een Nederlander”, antwoordt mijn vrouw. “Voor zover ik weet niet.  Ik heb hier nog nooit iemand hallucinerend het bos uit zien komen”. Op hetzelfde moment schommelt er een mannelijke paddenstoelen plukker op mij af. Ik vermoed toch één of andere paddo, maar dichterbij gekomen ruik ik wodka.

We zijn alleen. De groep heeft zich zo verspreid, dat wij samen aan het zoeken zijn. Tot nu toe is mijn oogst minimaal: ik vind een half aangevreten exemplaar, dat door iedereen gezien is, maar de moeite van het plukken niet waard. In dit soort situaties vecht ik met mijzelf. Ik heb mezelf uitgedaagd om vandaag een paar paddenstoelen te vinden. Ik vind er niet één. Teleurgesteld vind ik mezelf een grote onbenul. Mijn vrouw ziet dat, helpt me een beetje. “Kijk daar eens”. Ik kijk goed, maar zie niets. “Nee, daar, iets meer naar rechts”. Nu zie ik hem: een boleet middelmaat, met een mooi bruin dakje. Ik pluk hem voorzichtig. “Zie je wel, dat je ze kunt vinden, het is een hele goede”. Dit geeft vertrouwen.

Even later stuit ik op een prachtig exemplaar. Ook één met een bruin  dakje. Ik pluk hem. Loop voorzichtig naar mijn vrouw. Vragend laat ik hem aan haar zien. “Nee, nee, gooi weg! Als je daar één hap van neemt, ben je binnen een half uur dood!” Geschrokken werp ik het exemplaar verre van mij. Ik heb daarna mijn handen maar even grondig schoongemaakt. Ondanks dat, ben ik er inmiddels van overtuigd, dat ik paddenstoelen kan vinden. Maar nu nog de goede.