Er zijn situaties, waarin je je erg ongelukkig kunt voelen. Een daarvan is: ik moet naar een toilet, maar ik zit ergens vast. Bijvoorbeeld in een minibusje in de file. De dag begint zo goed. De zon schijnt. Samen met mijn vrouw inkopen doen. Ze heeft een speciaal kastje gezien. Dat wil ze hebben. Kastje gunstig geprijsd, maar wel ver weg. Geen bezwaar, want we hebben vandaag tijd. De heenweg verloopt voorspoedig. Weinig verkeer. We zijn er in een half uurtje. De meubelzaak ruimt op.

Dat is te merken. In de winkel is het overvol. Men is uit op een koopje. Ons kastje is al verkocht. Helaas, maar niet getreurd. We besluiten gezellig te doen, bestellen in een cafeetje een cappuccino. Daarna nog een biertje voor mij. De juffrouw vergist zich. Of ze dit opzettelijk doet, kan ik niet vaststellen, maar ze brengt een halve liter. Nou ja, bier is bier, dus ik drink hem op. Plotseling staat mijn vrouw op. We moeten snel weg, want ze is vergeten, dat Iwan komt, een jongen van een jaar of negen, die bij haar Engelse les krijgt. Vaag besef ik, dat ik eigenlijk naar het toilet moet, maar ik laat me overreden. We zijn zo thuis. Met dat halve uurtje zal het wel lukken.

Ik heb buiten het verkeer gerekend. Zo rustig als het was op de heenweg. Zo druk is het nu. Onze minibus komt in een file terecht. Stilstaand, af een toe een paar meter rijden. Het schiet niet op. Ik krijg meer aandrang. Bezorgd kijk ik om me heen. Geen ontsnappen mogelijk. Ik zeg het mijn vrouw. Die reageert kort: houd het nog maar even op. Ik probeer het vol te houden. De halve liter bier zit me dwars. Was ik nu maar in dat cafeetje gegaan. Achteraf makkelijk praten. De realiteit is nu.

Dan zie ik als we hoek omdraaien in de verte een openbaar toilet, zoals er wel meer staan in Sint-Petersburg.  Achter een loketje zit een dame, die neemt 50 roebel in ontvangst. Geeft dan toegang tot een van twee toilet ruimtes. Ze zal de toiletten ook wel schoon houden. Ik overleg kort met mijn vrouw. We worstelen ons in de volle minibus naar voren. Geven aan dat we er uit willen. De chauffeur opent de deur. Eenmaal buiten neem ik een sprint naar het toilethuisje. De 50 roebel heb ik al in mijn handen. Naarmate ik het huisje nader, wordt mijn angst bewaarheid: het is gesloten. Ik loop er een keer omheen. Luikjes dicht. Geen toiletjuffrouw te bekennen. Mijn vrouw is intussen ook aangekomen. Ze overziet de situatie. Geeft me de oplossing. Om de hoek is een café. Daar hebben ze ook toiletten.

Ik loop naar binnen. Het is er rustig. De bediening loopt op me af. Vraagt, waar ik wil zitten. “Toilet!” breng ik uit. Dat woord is in het Russisch hetzelfde als in Nederland. Hij snapt het onmiddellijk. Wijst naar een gordijn. Achter het gordijn een gangetje. Aan het einde twee deuren. Een met een “X” met zes pootjes en een met een “M”. Ik hoor naar de “M” te gaan, maar die is bezet. Dan maar naar de “vrouwen”.

Mijn blaas geleegt Opgelucht stap ik naar buiten. Daar staat er een vrouw. Ze kijkt geïrriteerd, want ik was wel even bezig. Ze maakt me duidelijk, dat ik me in het verkeerde toilet bevind. Wijst naar de “mannen”. Ik stamel een excuus. Zal maar niet proberen uit te leggen, waarom ik in de “vrouwen” zat. Ik groet de bediening, loop naar buiten. De jongeman knikt begrijpend. Zegt me: “Dasvidanja”. Kom eens terug.