Soms kom je in een kathedraal terecht. Ik heb van die momenten. Behoefte aan bezinning. De Orthodoxe kerken in Rusland lenen zich hier uitstekend voor. Terwijl ik wat rondloop in de ‘Kathedraal van de Drie-eenheid’, valt mijn oog op een meisje van een jaar of achttien, zo schat ik. Ze loopt al de plateaus met kaarsen langs. Verwijdert er de kaarsjes die bijna of volledig opgebrand zijn. Poetst daarna voorzichtig het plateau schoon. Ze is gekleed in een lange jurk, die haar benen bedekt en haar schoenen vrijlaat.  Om haar hoofd een strakke doek. Ze is dienstbaar aan God. Er staan nogal wat plateaus in de grote kerkruimte. Voorlopig is ze nog wel even bezig.

Ik maak het einde van een kerkdienst mee aan de andere kant van de ruimte. De gelovigen halen de laatste zegen bij de priester. Ieder wacht geduldig op zijn beurt. Als de laatste verdwijnt is het stil. Ik geef me over aan deze stilte. Zit met gesloten ogen. Geef me over aan mijn gedachten. Als ik de ogen open, staat het meisje van de kaarsen voor me. Ze wijst op mijn benen. Probeert me iets duidelijk te maken. Ik zit met gekruiste benen. Daarmee toon ik geen respect in deze ruimte. Ik vraag me af waarom. Zou het iets met het kruis van de Christus te maken hebben? Later heb ik me uit laten leggen, dat je als man in een Kathedraal geen hoed mag dragen. En dat je ook niet met je handen in je zakken mag staan.

Ik hoor de kerkklok luiden. Monotone klanken: aankondiger van de dood.

Iets verderop wordt een lijkkist binnengereden. Midden in de kerkruimte wordt die opgesteld. Ik loop er voorzichtig naartoe. In de kist ligt een man opgebaard. Keurig in het pak met stropdas. Zijn gezicht is met behulp van grimage zo bewerkt, dat hij er vredig, maar onecht uitziet. Het enige wat je van het lichaam ziet is het gezicht en de handen.

Bij de dode worden bloemen gelegd. Even later voegt de familie zich bij kist. De nabestaanden krijgen een kaars in de hand. Onder aan de kaars een wit papieren kraagje om eventueel kaarsvet op te vangen. Sommige van de nabestaanden zijn gesluierd. De priester treedt binnen. Noemt de naam van de overledene. Start met een toespraak. Na de toespraak gebeden. Daarna koorzang. Het is een sfeervol gebeuren met respect voor de dode. Er worden losse bloemen in de kist gelegd. Dan volgt er zoiets als het ‘ Onze Vader’. Iedereen kan nu afscheid nemen van het dode lichaam, want hierna wordt de deksel op de kist gelegd en de kist hermetisch gesloten.

Ik ben nieuwsgierig naar wat er nu gebeurt. In de schemer volg ik de kleine stoet mensen die achter de kist aanlopen. Aan een zijkant worden twee deuren geopend. Buiten bevindt zich een parkeerplaats. Daar staan wat auto’s. Prominent aanwezig een grootformaat blauwe bestelbus. De achterdeuren van de bus gaan open. Ik zie een plateau met beugels waarop de kist geplaatst wordt. De kist wordt vastgezet. De nabestaanden stappen voorin op drie rijen banken. Tussen de banken en de kist is geen afscheiding. Zo lijkt het alsof ze samen het familielid wegbrengen naar zijn laatste rustplaats.

De deuren van de bus worden door de chauffeur gesloten. Hij stapt in, start de motor. Wat een rustig vertrek zou moeten zijn, wordt enigszins ontsierd door het geluid van een zwakke uitlaat. Met gepaste herrie rijdt hij weg. Tot aan het nabije stoplicht hoor ik de bus. Dan verdwijnt hij in de stilte van het leven.