Sint-Petersburg is een stad aan zee. Dat vind je terug in een aantal zaken.  In het klimaat bijvoorbeeld. Je zult het niet geloven, maar deze stad heeft een zeeklimaat. Deze winter is dat te merken. Tot eind januari heeft het er nauwelijks gevroren. Is er geen noemenswaardige sneeuw gevallen. De Finse golf vriest niet dicht. Het is zelfs een paar keer voorgekomen, dat in deze maand de waterkering werd afgesloten vanwege storm landinwaarts. Het klimaat beïnvloedt de stemmingen. Men is hier gewend aan bevroren kanalen. Een overdaad aan sneeuw. Zonnig winterweer. Niets van dit alles.

Wat doe je dan? Je ontvlucht de natte stad. Kiest ervoor om uit te waaien. 40 km vanaf de stad liggen mooie stukken strand, bij het stadje Sjestroretsk. ’s Zomers is het hier aangenaam, ’s winters kan het hier bitter koud zijn. Over de bevroren ijsvlakte waait de wind. Jaagt de temperaturen voor je gevoel tot ver onder het vriespunt. Een mooie plek om in dit jaargetijde te zwerven. Immers langs het strand zijn altijd wel wat gelegenheden te vinden die hun deuren geopend hebben en een goede maaltijd met een verwarmende borrel aanbieden. Uitwaaien dus.

Ondanks de kwakkelwinter hebben koude en wind hier toegeslagen. Het ijs langs de kustlijn ligt hoog opgestapeld. Een witte stuwwal, die niets tegenhoud, ook de koude niet. Erachter wandelen geeft enige beschutting. De wal is zo hoog, dat je de zee erachter nauwelijks ziet. Af en toe is er een inkeping. Zie je de golven tegen de kust beuken. Al lopende is er tijd om over het leven te denken. Liep ik zo-even nog over de drukke Nevski Prospekt. Nu dwingt de natuur me tot rust. Leven en dood? Nee zo somber is het niet. Het is meer de variatie in het overleven. Worstel ik me in een drukke straat door mensenmassa’s, hier heb ik te maken met de elementen. Ik prijs me gelukkig dat het geen echte winter wil worden. Nu heb ik met omstandigheden te maken, die te hanteren zijn. Half uur wandelen in de kou. Ergens naar binnen lopen. In een behaaglijke warmte beseffen, dat het leven er tot doet.

Ik klim op de ijsberg. Sta nu vol in de wind. De zee is zichtbaar in zijn volle glorie. Schuimkoppen en brekende golven. Aan de einder sijpelt wat zonlicht door. Daar breken de wolken. Boven ons een grijze lucht, waaruit misschien wat sneeuw gaat vallen. Wolken bewegen zich in een razend tempo het land in. Naar de grote stad. Ook daar waait het. Uit een grijze lucht valt een mengsel van sneeuw en regen naar beneden. Mensen kruipen weg onder hun paraplu’s. In mistroostige sferen bewegen ze zich naar huis. Nat staan ze opeengepakt in busjes, trams of metro.

Ik ben blij dat ik hier ben. Op de top van een ijsberg. Niet ver van de bewoonde wereld. Ik probeer me voor te stellen, dat ik op de top van de wereld sta: Tibet, Mount Everest. Lukt me slecht, omdat ik Russische taal om mij heen hoor. Naast mij klauteren twee Russen het ijs op. Met bont gevoerde capuchons om hun hoofd. Ze maken foto’s met hun smartphone. Maken een selfie: wij en de zee. Terwijl ik in een zekere melancholie wegglijd, klinken zij optimistisch . Wat, een wintertje als dit stelt niets voor. Het kan twintig graden erger. De mentaliteit van de Russen: het kan altijd erger. Daar heb ik het als Nederlander maar mee te doen. Ik besluit naar beneden te klimmen. Daar lokt een restaurant, waar de feestverlichting van de Russische Kerst nog brandt. Het kan altijd erger.