Selecteer een pagina

Vadertje winter neemt er de tijd voor. Het is zeker een aantal jaren geleden, dat we hier een winter beleefden, waarbij de temparturen maanden lang onder nul verkeerden. En niet een beetje onder nul. Er zaten dagen tussen van min 25. Ik spreek hier over de winter in Sint-Petersburg. Geloof het of niet: deze stad heeft een zeeklimaat. Kenmerken van dat klimaat  -zo leerde ik op school- zijn gematigde winters en gematigde zomers. Dat komt door de invloed van de temperatuur van het zeewater op de temperatuur van de omliggende landen. De Finse golf vriest vrijwel ieder jaar volledig dicht, dat zal de in verhouding lagere temperaturen in de winter verklaren.

Voor mij strekt zich een landschap, dat onwerkelijk aandoet: een vlakte van sneeuw en ijs. Ik sta hier bij de uitgang van een strandrestaurant. Omdat ik vandaag niet de eerste gast ben, na de sneeuwbuien van vannacht, lopen er sporen over het strand van sneeuw. In de verte is een vroege vogel aan het ijssurfen. In plaats kitesurfen, wat hij in de zomer doet. Hij heeft wat geïmproviseerd. In plaats van laarzen heeft hij schaatsen onder gebonden. Dat gaat meestentijds goed. Een keer zie ik hem in een scheur terechtkomen, waarmee het surfen bruut eindigt. Maar hij raapt zijn botten bij elkaar, wacht op een windvlaag. Glijdt verder de witte eeuwigheid in.

Ik verlang naar de zomer. Heb genoeg van de kou en van alle beperkingen ten gevolge van de Corona pandemie. De zomers hier zijn gematigd warm. Soms schiet het kwik door tot boven de dertig, maar meestal blijft het ergens in de twintig steken. De zee, die hier niet zout is brengt de nodige verkoeling. De sporen in de sneeuw fascineren me. Ik besef, dat het strand in de zomer ook sporen laat zien. Sporen roepen altijd associaties op met activiteiten. In dit geval menselijke. Als het zand gloeit onder de zomerzon zie je geen voetafdrukken met de tenen eraan. Voeten lopen hier dan over een bakplaat. Je ziet sporen van badslippers of stevige wandelschoenen. Fietsbandensporen langs de kustlijn, waar het zand door de vochtigheid nog relatief stevig is. Een voorwaarde om een beetje makkelijk vooruit te komen. Paardenhoeven met kleinere of grotere afstanden er tussen, al naar gelang het paard stapvoets of in draf bewoog. Gaten in het zand, waar parasols stonden. Soms een autospoor, van een of andere malloot, die hier op safari dacht te zijn.

Praten over sporen doe je altijd in de verleden tijd. Het spoor zegt iets over wat er heeft plaatsgevonden en niet iets over wat gaat plaatsvinden. Hoewel -en nu wordt het filosofisch- een spoor draagt eigenlijk  altijd een soort voorspelling in zich. Als een voetspoor in een richting een winkeltje binnen gaat, is de kans groot dat er binnen niet al te lange tijd weer iemand naar buiten komt. Het blijven gedachtenspelletjes. Verleden, heden en toekomst zijn altijd op een bepaalde manier met elkaar verbonden. Zet een van de drie uit, en tijd bestaat niet meer.

Het is begonnen te sneeuwen. Terwijl ik een cappuccino drink, mijn blik zich in een wit decor verliest, zie ik dat de voetstappen in de sneeuw langzaam verdwijnen. De vlakte wordt weer maagdelijk glad. Sporen lossen op. Het is alsof de tijd wordt omgedraaid, als in een film die je achteruit vertoont: lege glazen zijn  weer vol. Geld dat je uitgeeft is weer terug. Maar ook: je ontvangsten worden weer ingeleverd. Het geluk dat je had, wordt omgezet in pech. Het lot wordt noodlot en het noodlot wordt: lot. Langzaam raak ik de draad in dit verhaal kwijt. Ik ben het spoor bijster.