Selecteer een pagina

De eerste voorjaarsdag na een lange winter. De zon schijnt uitbundig. De temperatuur overtuigt nog niet, maar uit de wind voelt het aangenaam. Ik ben op de terugweg van een niet onbelangrijke missie. Een officiële vertaling van een van mijn documenten. Over drie dagen kan ik het van postilles en handtekeningen voorziene papier ophalen. Op mijn gemak kuier door de straten van Sint-Petersburg. In een zijstraat van de Nevsky prospekt kom ik langs een klein plein, waar de eigenaar van een van de cafés zowaar zijn terras  heeft opengegooid. Het zit stampens vol. Het schijnt te voorzien in een grote behoefte. Het terras ligt in de zon. Omdat de temperatuur nog vrij laag is, heeft hij de straalkacheltjes die aan de overkapping hangen aangezet. Het lijkt me weldadig zitten. Ook ik kan de drang om plaats te nemen niet weerstaan.

Nog een tafeltje vrij. Dat stond op mij te wachten. Ik bestel een cappuccino. Ik heb goed zicht op voorbijgangers. Er lopen mensen in winterkleding. Optimisten dragen voorzichtige voorjaarskleren. In de verte naderen een man en een vrouw. Eenmaal dichterbij zie ik dat hij een stevige baard draagt. Eerder Grieks dan Russisch. Naast hem een bloedmooie vrouw, charmant gekleed, subtiel opgemaakt. Tot mijn verbazing stapt de man op mij af. Vraagt me iets in het Russisch. Ik antwoord dat ik hem niet begrijp, dat ik Nederlander ben. Hij is meteen enthousiast. In het Engels vraagt hij mij, of ze bij mij aan tafel mogen plaatsnemen. De enige zitplaatsen die nog beschikbaar zijn.

Hij praat honderduit. Zijn vrouw kijkt stilzwijgend om zich heen. Hij vertelt dat hij een paar keer in Nederland is geweest. In Amsterdam, waar de paddo’s in de parken groeien. Heerlijke tijd. Of hij daar met zijn vrouw was? Nee, deze vrouw, zijn vriendin, kent hij pas enkele weken. Ik kijk naar haar. Ze reageert nergens op. Neemt behoedzaam een slok van haar koffie. Op de vraag waar ik in Nederland woon antwoord ik naar waarheid: Nijmegen, in het oosten van het land. Daar was hij ook geweest. In de buurt. Na enig doorvragen blijkt hij in Zwolle geweest te zijn. Bij een vriend. Samen zijn ze naar een boekenmarkt geweest, omdat ze er geen paddo’s te konden vinden. Interessante boeken wel, helaas allemaal in het Nederlands.

Hij verontschuldigt zich, moet naar het toilet, waardoor ik ineens alleen met zijn vriendin aan mijn tafeltje zit. Sommige mannen werpen in het voorbijgaan jaloerse blikken naar me. Of beeld ik me dat in? Ik probeer een gesprek met haar, maar er komt geen woord uit. Sterker nog. Ze haalt haar IPhone tevoorschijn. Zit daar verveeld op te kijken. Ze zal geen Engels spreken. Enigszins gefrustreerd kijk ik maar naar voorbijgangers. De man die Georg heet komt terug. Hij draagt een dienblad met drie glaasjes wodka. Op onze vriendschap, zegt hij. Als hij zit proostten we op de Nederlands-Russische verhoudingen, die in zijn ogen niet al te best zijn. Bedoelt hij die vanuit het oogpunt van zijn land, of vanuit het oogpunt van ons land? Dat maakt een verschil.

De vraag wordt niet opgelost. Na een paar minuten vertrekken ze. Hij staat erop om mij te omhelzen. In het zicht van het gehele terras krijg ik twee stevige armen om mij heen. Ik hoopt, dat zijn vriendin  hetzelfde doet, maar ze geeft mij zonder me noemenswaardig aan te kijken een slap handje. Mijn mannelijkheid krijgt een behoorlijke knauw. Als ik mijn consumpties wil afrekenen, blijkt Georg alles betaald te hebben. Het is duidelijk: ik kan het beter vinden met Russische mannen, dan met Russische vrouwen. Die gedachte stelt me niet gerust.