Selecteer een pagina

Op weg naar huis maak ik gebruik van de elektritsjka: een boemeltreintje. Na de haltes trekt het gevaarte schokkend op, bij wissels hoor je gebonk en het geluid van metaal op metaal. Bij een wat hogere snelheid zwaait de wagon van links naar rechts. Alle haltes worden keurig omgeroepen evenals de momenten waarop de deuren zullen sluiten: astarosnje dveri sagrewaltsa (let op de deuren sluiten). De rit duurt zo’n 40 minuten. Er valt onderweg genoeg te zien. Houten huizen, bos, de oude weg tussen Sint-Petersburg en Sjestroretsk, met een afslag naar Kronstad. Het ritje verveelt geen moment.

Tegen het raam doet een wesp wanhopige poging om naar buiten te vliegen. Hij is al een tijdje bezig geweest, want af en toe valt hij uitgeput naar beneden. Krabbelt weer overeind en herneemt zijn pogingen. Ik maak niet snel dieren dood, dat geldt ook voor deze wesp. Leven en laten leven. Even later kijk ik geboeid naar een groepje wielrenners op de drukke autoweg. Achter hen rijdt een begeleidend voertuig met een oranje zwaailamp op het dak. Hij beschermt de fietsers tegen het achteropkomend de auto verkeer. Voorwaarde is, dat de fietsers bij elkaar blijven. Dit is een trainingsronde, geen wedstrijd.

Ik voel iets in mijn nek kriebelen. Met mijn hand veeg ik het weg, tegelijkertijd voel ik een of twee steken in mijn kin. Het is die verrotte wesp. Hij zal geïrriteerd zijn geweest, omdat hij gevangen zit tegen een obstakel dat hij niet kent: een ruit, en reageert direct op mijn handbeweging door mij te steken. Ik ben niet allergisch voor wespensteken, maar er ontwikkelt zich vrij snel een opgezwollen plek op de plaats van de steek. Een wesp kan opnieuw steken, omdat hij zijn angel niet kwijtraakt. Maar waar is hij? Veiligheidshalve ga ik een plek verderop zitten. Hij duikt weer op bij een raam in de buurt. Ik heb hem gelaten, maar ik loop wel met een dubbele onderkin.

De trein uit en wat verderop een tram in. Het is een nieuw type voertuig met stoelen aan de zijkanten tegenover elkaar. Tegenover mij zijn alle stoelen bezet. Ik voel me een beetje bekeken, omdat ik denk, dat iedereen mijn opgezwollen kin ziet. Aan de gezichten niets te merken. Russen weten hun gevoelens in dat opzicht goed te camoufleren, maar ze kijken wel. Nadat de tram zich in beweging zet krijg ik een merkwaardige gewaarwording: iedereen tegenover mij begint ja te knikken. De wespensteek heeft me blijkbaar toch versuft, maar nadat ik vaststel, dat ik niet zit te hallucineren kom ik tot de conclusie, dat het knikken veroorzaakt wordt door de slingerende tram. Blijkbaar is men hier niet goed in staat om rails loepzuiver recht te leggen, want zowel bij de elektritsjka als bij deze tram maken de wagons slingerbewegingen. Als je dan je hoofd niet strak houdt begin je automatisch ja te knikken. Het is in deze situatie wel erg makkelijk om je gelijk te halen, of om een verzoek ingewilligd te krijgen.

Thuis schrikt mijn vrouw van mijn gezicht. Als ik uitleg wat er gebeurd is, komt ze met een probaat middeltje. Ze snijdt een appel in tweeën en zegt, dat ik de binnenkant van de appel tegen mijn kin moet houden. De jeuk verdwijnt en ik heb het idee dat de zwelling minder wordt. De volgende dag houd ik opnieuw een halve appel tegen mijn kin. De zwelling keert terug naar normaal. Ik kan weer tegen mijzelf in de spiegel lachen Onwillekeurig knik ik goedkeurend tegen mijzelf. Ik denk dat de passagiers in de tram tegenover mij hun knikken ook zo bedoelden.