Selecteer een pagina

Tussen honderdduizend graven bevindt zich het graf van mijn schoonvader.

De eerste keer dat wij hier aan kwamen rijden werd ik overweldigd door de immense hoeveelheid  grafzerken. Op  bijna iedere steen een of meerdere foto’s van de overledenen, afhankelijk van hoeveel mensen er in het graf begraven liggen. Al deze personen kijken mij aan. Er is een systeem van wijken en nummeringen  nodig om het graf van je dierbare te vinden. Zelfs dan raak je regelmatig de weg kwijt. Een dodendoolhof lijkt het.

Wij hebben plastic zakken bij ons, plastic handschoenen en wat eten en drinken. Het graf is langere tijd niet verzorgd. Er valt een hoop onkruid te wieden. We hebben het graf schoon te maken. Aan de slag dus. Mijn vrouw voert intussen korte gesprekken met haar vader. Ik heb hem nooit gekend, daarom moet ik eerst maar eens kennismaken. Hij ligt begraven met zijn moeder. Van beiden staat er een foto op de grafsteen. Ik lees zijn naam die ik voor het eerst tegenkom: Nikolai Potopovitsj. Na verloop van tijd ziet het graf er weer netjes uit. Bij de ingang van deze dodenakker hebben we in één van de vele bloemenwinkels bloemen gekocht. In zijn lievelingskleur: blauw. Als mijn vrouw ze in de grond prikt, zie ik dat het kunstbloemen zijn. Die gaan langer mee.

Russen zijn niet zo voor crematies. De Orthodoxe Kerk is voorstander van begraven. Dat zal wel met de wederopstanding te maken hebben. De invloed van de Kerk is onverminderd groot, ook al voltrekken zich ook hier langzaam veranderingen. Het aantal crematies groeit naar zo’n 60 %. In deze miljoenenstad treffen we een viertal grote begraafplaatsen aan. Graven worden bijna niet geruimd. Dat verklaart de enorme  oppervlakte van dit gebied.

Twee mannen lopen langs. Eén van hen draagt een grasmaaier. Ze bieden aan om twee hoge berkenbomen naast het graf omver te halen. Tegen betaling. Mijn vrouw zegt, dat de mensen van het buurgraf moeten meebetalen, maar hoe vind je die? Dus blijven de bomen staan. De mannen lopen verder. Even later klinkt het geluid  van een motorgrasmaaier. De rust van duizenden doden wordt gedurende een paar uur wreed verstoord.

Mijn vrouw haalt het eten tevoorschijn. Daarbij een klein flesje wodka. We toosten op de doden. In stilte drinken we het glas leeg en eten een klein hapje. Op het graf zetten we ook een glaasje. Ik loop wat rond. Lees namen. Kijk naar foto’s. Foto’s die genomen zijn tijdens de levens van die mensen. Stralende mannen en vrouwen. Mensen in de bloei van hun leven. Het maakt de dood er niet milder op. Is alles hiermee voorbij? Als ik meega in het kerkelijk denken, dan moet ik mij voorstellen, dat al deze graven zich op de Dag van de Wederopstanding openen. Levende mensen zullen elkaar verbaasd aankijken. Hé Pjotr, jij ook hier? De wereld zal in één klap overbevolkt zijn. Dat is niet ons probleem, dat wordt wel opgelost. Nee, op een bepaalde manier is het wel goed, dat er gestorven wordt.

We zijn klaar. Kijken nog eens goed of alles in orde is. Nemen afscheid. Zachtjes zeg ik ook iets tegen mijn schoonvader. Hij kent me nu tenslotte. Ik zeg het maar in het Nederlands, want ik denk, dat je in deze fase alle talen verstaat. Ik zeg tegen hem: “Dazvidanja, tot ziens…en als je in de gelegenheid bent, kom eens naar Nederland. Je bent van harte welkom”.

Ik hoop intussen dat hij niet op de uitnodiging ingaat. Ik zou me doodschrikken, als hij ineens voor de deur zou  staan.